Financieel beeld
Inleiding
De Gemeente Groningen heeft voor 2025 een begroting van 1,7 miljard euro, waarvan 1,6 miljard euro is besteed In lijn met de begroting is 58 % (0,9 miljard euro) besteed aan programma Sociaal en Vitaal en betreft het vooral uitgaven aan de BUIG, de Jeugdzorg, beschermd wonen en Wmo. Aan programma Economie en Ruimte is 10% besteed en aan programma Leefomgeving en Veiligheid 12%. De Overhead en ondersteuning organisatie bedraagt 20% van de totale lasten.
De inkomsten komen voor een groot deel (70%) van uitkeringen die we ontvangen van het Rijk. Dit betreft de algemene uitkering uit het gemeentefonds, maar ook uitkeringen waar specifieke bestedingsdoelen aan hangen. De opbrengst van de gemeentelijke belastingen heeft een aandeel van 9% in onze inkomsten en leges en heffingen maken hier 6% van uit.
In de volgende onderdelen wordt een nadere toelichting gegeven op het rekeningresultaat 2025 en op de afwijking ten opzichte van de prognose in Voortgangsrapportage 2025-II. Er wordt stil gestaan bij de stand van zaken ten aanzien van de hervormingen. Daarna volgt een beeld van de financiële situatie van de gemeente door middel van de balans, financiering, weerstandsvermogen en kengetallen.
Rekeningresultaat 2025
De Gemeente sloot 2025 af met een plus van 30,5 miljoen euro. Het brutoresultaat laat een plus van 60,8 miljoen euro zien, maar voor 30,3 miljoen euro verschuift de besteding naar 2026. Dit gaat bijvoorbeeld om meerjarige projecten, intensiveringen en bijzondere resultaten. Daarnaast heeft Groningen in 2025 bedragen vanuit het Rijk ontvangen die niet meteen ingezet konden worden.
Het resultaat in 2025 wijkt 3,6% af van de lasten in de begroting.
Onderstaand zijn de resultaten per programma vermeld met daarbij de belangrijkste verklaringen van de verschillen ten opzichte van de begroting. Een nadere toelichting van de verschillen is bij de betreffende programma’s vermeld.
Programma | Resultaat (bedragen x 1.000 euro) | Toelichting | |
|---|---|---|---|
1. Economie en Ruimte | 28.429 | Parkeren (V 10,1 miljoen euro): Het voordeel wordt deels verklaard door hogere omzetten bij belparkeren en parkeergarages. Daarnaast veroorzaakt een toename van het aantal parkeerders extra opbrengsten ten opzichte van de begroting. Een conservatief opgestelde begroting vanwege het nieuwe beleid zorgt voor meer opbrengsten dan opgenomen in de begroting. Aan de lastenkant bedraagt het voordeel circa 3,2 miljoen euro. Dit bestaat vooral uit het incidentele voordeel van 2,3 miljoen euro dat ontstaat doordat de lasten worden verhoogd in de begroting al naar gelang de begrote opbrengsten stijgen. Dit terwijl de werkelijke lasten niet stijgen. | |
2. Leefomgeving en Veiligheid | -2.843 | Nij Begun (N 0,3 miljoen euro): | |
3. Vitaal en Sociaal | 18.137 | Beschermd Wonen (V 1,4 miljoen euro): Het voordeel komt met name door lagere zorgkosten als gevolg van actualisatie van de basismaatstaven uit eerdere jaren. Daarnaast is de rijksbijdrage 650 duizend euro hoger door loon- en prijscompensatie. Ook zijn er extra baten ontvangen van de Groninger gemeenten. | |
4. Dienstverlening en Bestuur | 17.102 | Gemeentefonds (V 4,6 miljoen euro): Dit voordeel bestaat voornamelijk uit mutaties vanuit de decembercirculaire die niet meer met het inhoudelijk programma verrekend konden worden, omdat de termijn voor het voorleggen van begrotingswijzigingen aan de raad reeds verstreken was. Daarnaast is reeds ter waarde van 5,5 miljoen euro een aantal ontvangsten uit de decembercirculaire 2025 toegevoegd aan de reserve budgetoverheveling t.b.v. bestedingen in 2026. | |
Totaal | 60.824 |
Afwijkingen ten opzichte van voortgangsrapportage 2025-II
In de voortgangsrapportage 2025-II (VGR 2025-II) verwachtten we een voordeel van 35,4 miljoen euro. Daarmee is het rekeningresultaat 2025 ten opzichte van de prognose in de VGR 2025-II 25,5 miljoen euro hoger. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de raad in december 2025 besloten heeft 16,8 miljoen euro van de verwachte plus op het rekeningresultaat alvast toe te voegen aan de algemene (bestemmings) reserve en de het verschil tussen de VGR en de rekening dus feitelijk hoger is.
Conform ons financieel beleid hebben we de positieve resultaten op samenwerkingsverbanden (31,2 miljoen euro) en decembercirculaire gemeentefonds (5,5 miljoen euro) toegevoegd aan de reserve budgetoverheveling en maakt dit dus ook geen onderdeel uit van het rekeningresultaat.
De grootste verschillen (> 1 miljoen euro) per onderwerp betreffen:
Onderwerp (Bedragen x 1 miljoen euro) | Rekening 2025 | VGR 2025-II | Verschil t.o.v. VGR 2025-II | Toelichting (Bedragen x 1 miljoen euro) |
|---|---|---|---|---|
Stedelijk investeringsfonds (SIF) | 8.765 | 2.800 | 5.965 | Bij VGR 2025-II bestond nog geen volledig inzicht in welke mate de diverse projecten zouden worden onderschreden. |
Gemeentefonds | 4.029 | 0 | 4.029 | Het verschil bestaat voornamelijk uit ontvangsten bij de decembercirculaire die niet meer met het inhoudelijk programma verrekend konden worden. |
Meerjarige projecten | 2.747 | 0 | 2.747 | De bestedingen bij diverse projecten zijn nog lager, door vertraging of minder inzet van personeel dan verwacht. |
BUIG | 2.183 | 0 | 2.183 | De toevoeging aan het BUIG-budget 2025 voor nominale compensatie was 1,2 miljoen euro hoger was dan verwacht. Dit werd bekend bij de publicatie van het definitief budget begin oktober en bleek te zijn veroorzaakt door een verhoging van het loonheffingspercentage in 2025. |
Personele lasten | 2.900 | 1.017 | 1.883 | Op personeel is meer vrijval, met name doordat vacatures langer openstaan. |
Uitvoeringskosten t.l.v. rijksregelingen en subsidies | 2.190 | 779 | 1.411 | Mutatie als gevolg van dat meer uitvoeringskosten ten laste van rijksregelingen zijn gebracht. |
Parkeren | 10.092 | 8.454 | 1.638 | Door hogere bezoekersaantallen aan de parkeergarages en een hogere omzet uit belparkeren is het resultaat 1,6 miljoen euro hoger dan verwacht bij de tweede voortgangsrapportage. |
Verzekeringen en energielasten | 3.034 | 1.721 | 1.313 | Verschil ten opzichte van de VGR als gevolg van meer besparingen op energielasten in minder schadegevallen in 2025, waardoor een deel van het eigen risico is vrijgevallen. |
Jeugd | -1.891 | -2.900 | 1.009 | De solidaire kosten, de kosten basisjeugdhulp en de collectieve jeugdhulp kosten zijn lager uitgevallen dan we bij VGR2 hadden voorzien. De solidaire kosten zijn vooral lager door lagere kosten Jeugdhulpplus doordat het aandeel van de provincie Groningen op 3Noord niveau lager is dan verwacht. De kosten basisjeugdhulp vallen mee door lagere ICT- en huisvestingslasten. De uitgaven collectieve jeugdhulp zijn vooral lager door lagere subsidie inzet, o.a. van Team050. Een deel van het voordeel wordt te niet gedaan door een stijging van de kosten individuele jeugdhulp in natura door met name hogere gemiddelde kosten per jeugdige bij ambulant en bij de specifieke doelgroepen. |
Voorziening wethouderspensioenen (APPA) | -4.008 | 0 | -4.008 | In de decembercirculaire staan de rekenrente en de overige uitgangspunten voor de berekening van de benodigde voorziening vast. Daarom kan de berekening van het benodigde kapitaal ten behoeve van de voorziening wethouderspensioenen pas na het verschijnen van de decembercirculaire worden berekend. |
Treasury | -1.880 | 1.274 | -3.154 | De nacalculatie van de rekenrente (de ROP) heeft tot een correctieboeking geleid, waarmee het voordeel voor een bedrag van 3,9 miljoen euro is verplaatst van treasury naar de diverse deelprogramma’s en de grondexploitaties. |
Sociale werkvoorziening | -2.026 | 645 | -2.671 | Als gevolg van aanscherping van regelgeving BBV moet voor de doelgroep SW een toevoeging aan de voorziening Regeling Vervroegde Uittreding en spaarverlof opgenomen worden, in totaal 2,8 miljoen euro. Ten tijde van de VGR II was deze regeling nog ter discussie. |
Realisatiestimulans | 5.795 | 0 | 5.795 | De middelen voor de Specifieke Uitkering (SPUK) Realisatiestimulans zijn pas na de tweede voortgangsrapportage beschikbaar gesteld vanuit het Rijk. |
Overige verschillen < 1 miljoen euro | 28.894 | 21.584 | 7.310 | Overige afwijkingen < 1 miljoen euro |
Totaal | 60.824 | 35.374 | 25.450 |
Hervormingen
In de begroting 2025 resteerde nog een in te vullen taakstelling leniger en flexibeler begroten van 0,4 miljoen euro en een taakstelling van 0,2 miljoen euro voor SIF-budgetten. Deze zijn in 2025 niet ingevuld en resulteren hiermee in een nadeel van 600 duizend euro.
Daarnaast resteert er nog een taakstelling van 444 duizend euro voor armoede en schulden. Deze taakstelling is in 2025 niet ingevuld en resulteert hiermee in een nadeel van 444 duizend euro. Vanaf 2027 is het tekort op deze taakstelling 1,3 miljoen euro per jaar.
Balans en financiering
Balans
Balans (Bedragen x 1,0 miljoen euro) | 31-12-2025 | 31-12-2024 | 31-12-2025 | 31-12-2024 | |
|---|---|---|---|---|---|
Activa | Passiva | ||||
Vaste Activa | Vaste Passiva | ||||
Immateriële vaste activa | 9,3 | 11,0 | Eigen vermogen | 458,1 | 364,4 |
Materiële vaste activa | 1.690,5 | 1.586,9 | Voorzieningen | 100,3 | 79,5 |
Financiële vaste activa | 450,7 | 415,5 | Langlopende schulden | 1.382,4 | 1.443,5 |
Totaal Vaste Activa | 2.150,5 | 2.013,4 | Totaal Vaste Passiva | 1.940,8 | 1.887,4 |
Vlottende Activa | 0,0 | 0,0 | Vlottende Passiva | 0,0 | 0,0 |
Voorraden | 30,1 | 31,2 | Vlottende schulden | 190,6 | 174,7 |
Vorderingen | 199,3 | 200,7 | Overlopende passiva | 358,0 | 283,1 |
Liquide middelen | 4,5 | 6,5 | 0,0 | 0,0 | |
Overlopende activa | 105,0 | 93,4 | 0,0 | 0,0 | |
Totaal Vlottende Activa | 339,0 | 331,8 | Totaal Vlottende Passiva | 548,7 | 457,8 |
Totaal Activa | 2.489,5 | 2.345,2 | Totaal Passiva | 2.489,5 | 2.345,2 |
Toelichting op de grootste mutaties:
- Materiële vaste activa: Per saldo is er een stijging in 2025 doordat er voor een bedrag van 199,9 miljoen euro is geïnvesteerd. Er is een bedrag van 53 miljoen euro afgeschreven op materiële vaste activa. Een grote investering in 2025 was de administratieve verwerving van gronden Meerstad-Noord ter waarde van 61,3 miljoen euro. Daarnaast zijn er nog desinvesteringen, bijdragen van derden en afwaarderingen van in totaal 43,3 miljoen euro in mindering gebracht op de boekwaarde;
- Financiële vaste activa: De vermeerdering betreft voornamelijk de agiostortingen van Warmtestad BV en het Gemeentelijk Energiebedrijf. De agiostortingen van Warmtestad BV zijn in totaal 36 miljoen euro, waarvan 7 miljoen euro in preferente aandelen;
- Eigen vermogen: Het eigen vermogen is toegenomen met 93,7 miljoen euro, veroorzaakt door een toename van de reserves. Hierbij is het met name het saldo van de bestemmingsreserves gestegen van 217,6 miljoen euro in 2024 naar 313 miljoen euro in 2025. De grootste mutaties betreffen een toevoeging van 35,4 miljoen euro aan de reserve Sparen voor de toekomst en een toevoeging van 37,2 miljoen euro aan de reserve Budgetoverheveling, waarbij 25,2 miljoen euro voor de ontvangen middelen voor het samenwerkingsverband Sociale Agenda Nij Begun het grootse deel uitmaakt;
- Voorzieningen: De stijging wordt met name veroorzaakt door hogere onderhoudsvoorzieningen en stijging van de voorzieningen spaarverlof en pensioenen wethouders;
- Langlopende schulden: De daling wordt met name verklaard door een bedrag van 137,1 miljoen euro aan eindaflossingen en 60 miljoen euro aan opgenomen leningen ten behoeve van herfinanciering;
- Vlottende schulden: De stijging wordt veroorzaakt door een stijging in de overige vlottende schulden (kortlopende schulden aan publiekrechtelijke lichamen, aangegane verplichtingen en crediteuren derden opgenomen);
- Overlopende passiva: De stijging wordt met name veroorzaakt door het onderbrengen van de regionale inkooporganisatie jeugdhulp (RIGG) als een directie binnen de gemeentelijke organisatie.
Voor een uitgebreide toelichting op de mutaties in de balans verwijzen wij u naar het onderdeel Balans in deze jaarrekening.
Investeringen en financiering
Begin 2025 stond voor 543,7 miljoen euro aan kredieten open uit voorgaande jaren. In 2025 stelde de raad voor 296,1 miljoen euro aan nieuwe kredieten beschikbaar. In totaal was daardoor in 2025 voor 839,8 miljoen euro aan investeringskredieten beschikbaar. Met deze kredieten is in 2025 voor 194,6 miljoen euro aan investeringen verricht. Bij in 2025 afgesloten kredieten is per saldo voor 4,6 miljoen euro aan onderschrijdingen geweest. Als uitkomst staat daardoor eind 2025 nog voor 640,6 miljoen euro aan kredieten open die overgaan naar 2026 om in 2026 of latere jaren afgewikkeld te worden. Er zijn in 2025 6 kredietoverschrijdingen geconstateerd. Hiervoor wordt in 2026 of een nacalculatie aangeboden een de raad, of er volgt kredietaanvraag.
Weerstandsvermogen & risico’s
Het weerstandsvermogen geeft inzicht in de weerbaarheid van de gemeente. Het laat zien of de gemeente in staat is de effecten van risico’s op te vangen. Als maatstaf hanteren we hiervoor de ratio van het weerstandsvermogen. Deze geeft de verhouding weer tussen het beschikbare weerstandsvermogen (welke middelen zijn er om risico’s op te vangen?) en het benodigde weerstandsvermogen (welke risico’s lopen we?). Een ratio van 100% betekent dat er voldoende weerstandsvermogen beschikbaar is om het effect van de ingeschatte risico’s.
Berekening weerstandsvermogen rekening 2025 (Bedragen x 1,0 duizend euro) | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 |
|---|---|---|---|---|
Beschikbare weerstandsvermogen (A) | 189.910 | 194.991 | 198.362 | 201.740 |
Benodigde weerstandsvermogen (B) | 107.046 | 120.713 | 123.539 | 126.366 |
Ratio weerstandsvermogen (A/B x 100%) | 177% | 171% | 129% | 128% |
Verhouding reserves / benodigd weerstandsvermogen | 110% | 106% | 80% | 80% |
Voor de beoordeling van het weerstandsvermogen kijken we naar de verhouding tussen risico’s en beschikbaar weerstandsvermogen, waaronder de omvang van de reserves (Algemene reserve en reserve grondzaken). We doen dit voor een periode van vier jaren (dynamisch weerstandsvermogen). De ratio weerstandsvermogen in 2026 komt uit op 177%. Deze daalt tot 128% in 2029. Dit is een verbetering van 16% (van 161% naar 177%) ten opzichte van de ratio bij de begroting 2026 door toevoegingen aan onze reserves om ons voor te bereiden op toekomstige ontwikkelingen en vermindering van het benodigd weerstandsvermogen door afname van risico’s. Hiermee is ons weerstandsvermogen op orde en anticiperen we op toekomstige ontwikkelingen. Vanaf 2028 neemt het benodigd weerstandsvermogen ten opzichte van voorgaande jaren toe in omvang. Uit de voorjaarsnota 2025 van het Rijk blijkt dat de bezuinigingstaakstelling voor de jeugdzorg (hervormingsagenda) fors wordt verhoogd. Dit leidt vanaf 2028 tot een sterke toename van het risico sociaal domein. In paragraaf 3. Weerstandsvermogen en risicobeheersing wordt een nadere toelichting op de cijfers gegeven.
Beschikbaar weerstandsvermogen
Het beschikbaar weerstandsvermogen wordt gevormd door de middelen die beschikbaar zijn om het nadelige effect van risico’s te kunnen opvangen. Dit is de optelsom van alle elementen die daadwerkelijk kunnen worden ingezet om niet-begrote kosten te dekken. De middelen die we tot het beschikbare weerstandsvermogen rekenen, zijn: Algemene reserve, Reserves Grondzaken, de Suikerzijde en Meerstad Noord/GEB, Post onvoorzien in de begroting, niet structureel ingezette intensiveringsmiddelen, onbenutte belastingcapaciteit en Stille reserves.
Het beschikbare weerstandsvermogen is in 2026 189,6 miljoen euro. Dit is 0,3 miljoen euro lager dan in de begroting 2026. Het beschikbaar weerstandsvermogen neemt de komende jaren toe tot 201,4 miljoen euro in 2029. Deze toename is een gevolg van een verwachte toename van de reserves.
Benodigd weerstandsvermogen (risico’s)
Het benodigde weerstandsvermogen wordt bepaald op basis van een inschatting van de risico’s die de gemeente loopt. Veruit het grootste risico ligt bij de gemeentelijke grondexploitaties. Dit risico bepaalt in 2026 47,9% van het benodigd weerstandsvermogen. Het benodigde weerstandsvermogen in 2026 is 107,0 miljoen euro. Dit is 10,6 miljoen euro lager dan bij de begroting 2026.
Voor 2026 en verder zien we grote investeringen op ons afkomen voor onder andere de energietransitie, nieuwe gebiedsontwikkelingen, onderwijshuisvesting en de vervanging van maatschappelijk vastgoed, waaronder het nieuwe muziekcentrum. Dat betekent een toename van de risico’s op verschillende fronten en een grote toename van nieuw aan te trekken leningen. Deze ontwikkelingen zijn nog niet zichtbaar in de financiële kengetallen.
Kengetallen
Het huidige resultaat en financiële positie leidt tot onderstaande kengetallen in de kolom Rekening 2025. Daarnaast is de verwachte ontwikkeling van de kengetallen weergegeven in de kolommen Begroting 2025 t/m 2028.
Rekening 2025 | Verloop van de kengetallen | |||||
|---|---|---|---|---|---|---|
Kengetallen | Begroting 2025 | Rekening 2025 | Begroting 2026 | Begroting 2027 | Begroting 2028 | Begroting 2029 |
Netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen | 110,3% | 80,4% | 108,1% | 113,7% | 117,2% | 118,5% |
Solvabiliteitsratio | 10,9% | 16,0% | 13,0% | 13,1% | 13,6% | 13,9% |
Structurele exploitatieruimte | 0,5% | 4,2% | 0,9% | 1,6% | 1,4% | 1,2% |
Netto schuldquote
Dit cijfer geeft inzicht in het niveau van de gemeentelijke netto schuldenlast (korte en lange schulden vermindert met kort en lang uitgeleende middelen) ten opzichte van de gemeentelijke baten. Het geeft een indicatie van de omvang van de rentelasten en aflossingen ten opzichte van de jaarlijkse baten en lasten. Bij de netto schuldquote wordt rekening gehouden met alle door de gemeente opgenomen leningen. Bij de netto schuldquote gecorrigeerd voor verstrekte leningen nemen we de leningen die we doorlenen aan derden (zoals bijvoorbeeld: Meerstad en woningbouwcorporaties) niet mee. Wanneer sprake is van doorlenen aan derden, ligt de netto schuldquote altijd boven de netto schuldquote gecorrigeerd voor verstrekte leningen.
De netto schuldquote en de netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen komen in 2026 lager uit dan begroot doordat minder leningen aangetrokken hoefden te worden enerzijds door een lager investeringsvolume en anderzijds door hogere baten van derden (met name het Rijk) dan waar in de begroting rekening mee werd gehouden. Hiermee blijven we onder de ons gestelde norm van 120%. Conform de begroting 2026 loopt vanaf 2026 de netto schuldquote gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen op tot 118,5% in 2029 doordat de gemeentelijke baten dalen als gevolg van de opgelegde korting op het gemeentefonds.
Solvabiliteitsratio
Dit kengetal wordt bepaald door de verhouding tussen het eigen vermogen en het totaal vermogen. Het geeft inzicht in de mate waarin de gemeente in staat is aan de financiële verplichtingen te voldoen. Hoe hoger de solvabiliteitsratio, hoe groter de weerbaarheid van de gemeente.
De solvabiliteitsratio komt in 2025 uit op 16,0%. Dit is hoger dan begroot en wordt veroorzaakt door stortingen in de bestemmingsreserves. Bestemmingsreserves zijn onderdeel van het eigen vermogen. Deze verbetering is tijdelijk van aard omdat bestemmingsreserves doorgaans tot bestedingen gaan leiden in de komende jaren. Een verbetering van de solvabiliteit wordt bereikt door een verlaging van de opgenomen leningen en/of een versterking van de reserves. Gezien de grote maatschappelijke opgaven en financiële uitdagingen die voor ons liggen streven we naar een solvabiliteitsratio van minimaal 10%. De ratio’s van de kengetallen en van het weerstandsvermogen beschouwen we in samenhang bij de beoordeling van onze financiële positie.
Structurele exploitatieruimte
Voor de beoordeling van de financiële positie is het ook van belang dat de structurele lasten gedekt zijn door structurele baten. De belangrijkste structurele baten zijn de algemene uitkering uit het gemeentefonds en de opbrengsten uit de onroerendezaakbelasting (OZB). Dit kengetal geeft het verschil tussen de structurele baten en lasten ten opzichte van de totale baten. Een positief percentage betekent dat de structurele baten toereikend zijn om de structurele lasten te dekken. De structurele exploitatieruimte is in 2025 hoger uitgekomen dan begroot doordat er meer baten zijn ontvangen van derden (met name rijksbijdragen) dan begroot. Vaak zijn dit incidentele bedragen vanuit het Rijk voor structurele taken, waardoor dit wel onder de structurele baten valt. Het verloop van de structurele exploitatieruimte over de periode 2026 tot en met 2029 geeft aan dat er sprake is van een structureel evenwicht. In de kadernota weerstandsvermogen en risicomanagement hebben we als streefwaarde opgenomen dat de exploitatie minimaal (structureel) in evenwicht is.
